Op een mistige ochtend zat Olivier B. Bommel tevreden in zijn grote stoel voor het haardvuur op Slot Bommelstein. Hij droeg zijn geruite jas, hield een dampende kop thee vast en keek peinzend naar buiten.
“Een heer van stand,” mompelde hij, “heeft recht op een rustige ochtend.”
Maar juist toen hij zijn krant wilde openslaan, stormde Tom Poes naar binnen. Zijn snorharen trilden van opwinding.
“Heer Bommel! Er gebeuren vreemde dingen in Rommeldam!”
Bommel zette zijn kopje neer. “Vreemde dingen? Dat klinkt ongezellig. Wat is er nu weer aan de hand?”
“Alle mensen vergeten plotseling wat ze aan het doen waren,” zei Tom Poes ernstig. “De bakker stopte midden op straat en wist niet meer waarom hij daar stond. En burgemeester Dickerdack hield een toespraak voor een lantaarnpaal.”
“Heel eigenaardig,” bromde Bommel. “Dat lijkt mij geen gezonde ontwikkeling voor de maatschappij.”
Nog voordat Tom Poes verder kon praten, verscheen bediende Joost in de deuropening.
“De heer professor Prlwytzkofski is gearriveerd, jongeheer.”
Even later stapte de professor puffend binnen, met een vreemd apparaat onder zijn arm. Het ding bestond uit koperen buizen, ratelende tandwielen en een glazen bol waarin blauwe vonkjes knetterden.
“Ach!” riep de professor. “Gelukkig tref ik u thuis! Mijn nieuwste uitvinding is ontsnapt!”
Bommel fronste zijn wenkbrauwen. “Ontsnapt? Apparaten behoren niet te ontsnappen. Daar zijn het apparaten voor.”
“Het betreft de Cognitron!” piepte de professor. “Een machine die gedachten ordent en overbodige herinneringen verwijdert. Maar het apparaat heeft zichzelf verbeterd en zendt nu golven uit die complete herinneringen wissen!”
Tom Poes keek bedenkelijk. “Dan komt daardoor zeker die verwarring in de stad.”
“Precies!” zei de professor. “En als de Cognitron doorgaat, vergeet straks iedereen wie hij is!”
Bommel sprong overeind. “Dat kan ik als heer natuurlijk niet toestaan. Kom mee, Tom Poes! Wij zullen deze zaak oplossen.”
De drie trokken naar Rommeldam, waar inmiddels grote chaos heerste. Een tramconducteur probeerde vissen te verkopen en commissaris Bulle Bas dirigeerde het verkeer met een paraplu.
“Een treurige toestand,” zei Bommel somber.
Plotseling klonk vanuit het stadspark een hard gezoem. Tussen de bomen zweefde de Cognitron: een metalen bol met knipperende lampjes en lange mechanische armen.
“Pas op!” riep de professor. “Hij absorbeert herinneringen!”
Een blauwe straal schoot over het plein. Bommel wankelde even.
“Wat onaangenaam,” mompelde hij. “Ik was ineens vergeten waar mijn sigaren lagen.”
Maar Tom Poes had ondertussen een plan bedacht. Hij zag dat de machine steeds sterker werd doordat mensen paniekerig probeerden hun herinneringen vast te houden.
“Heer Bommel,” fluisterde hij, “u moet juist heel hard aan iets eenvoudigs denken.”
“Aan iets eenvoudigs? Zoals wat?”
“Aan uw ontbijt.”
Bommel sloot zijn ogen. “Verse broodjes… gekookt eitje… thee… marmelade…”
De Cognitron begon plotseling te ratelen. Simpele gedachten bleken het apparaat te overladen. De lampjes knipperden wild, er steeg rook op en met een harde knal viel de machine stil.
De inwoners van Rommeldam kwamen langzaam weer bij hun positieven.
Burgemeester Dickerdack schudde verbaasd zijn hoofd. “Wat een zonderlinge bijeenkomst.”
Bommel trok waardig zijn jas recht. “Ach ja,” zei hij luchtig, “een heer doet nu eenmaal wat hij kan.”
Tom Poes glimlachte stilletjes. Want hij wist best wie het echte denkwerk had gedaan.